Coen Peppelenbos wordt de machtigste man in de Nederlandse literatuur genoemd. Toch is hij altijd op zijn hoede

[ad_1]

Tommy Wieringa noemt hem de machtigste man in de Nederlandse literatuur. In werkelijkheid is Coen Peppelenbos docent, recensent, schrijver, dichter, redacteur, columnist, interviewer, hoofdredacteur en geboren in Raalte.

Plaats van handeling: een terras op de Grote Markt in Groningen waar Duitse toeristen af en aan wandelen. Op tafel ligt een geluidsopname-apparaat. Niet zo handig als de geïnterviewde met zacht timbre over zijn leven en werk vertelt terwijl om het kwartier het carillon van de Martinitoren klinkt.

,,Zo wordt iedere uitspraak door omgevingsgeluiden gesmoord”, constateert Coen Peppelenbos. Hij gaat boven het apparaatje hangen en zegt luid en duidelijk: ,,Het was heel boeiend en interessant bedoeld mensen.”

Een actuele aanleiding voor een gesprek is er niet. Zijn laatste interview, voor de talkshow ‘Onder de vulkaan’, was half oktober met Maud Vanhauwaert, Allie van Altena en Bart Slijper. Het laatste boek waarop zijn naam prijkt, dateert van juli en is een samenwerkingsproject: Hij/hem. Een ABC van regenboogboeken . Zijn laatste solopublicatie, Moeten we dit weten voor de toets , met columns over lezen en literatuuronderwijs, stamt uit 2022.

,,Ik heb niets te verkopen”, constateert Peppelbos op een toon die zowel treurnis als ironie verraadt. Even later zal hij met een fijn lachje opmerken dat Tzum , de website over literatuur waar hij hoofdredacteur van is, 25 jaar bestaat. ,,Maar dat was begin dit jaar.”

Tzum is de meest besproken website voor literatuur in Nederland. Vrijwel alle schrijvers halen er hun nieuwtjes en roddels vandaan. Mede op basis daarvan noemde Tommy Wieringa onlangs Peppelenbos ‘de machtigste man in de Nederlandse literatuur’.

Hoe is de literatuur op je pad gekomen?

,,Op de middelbare school in Raalte, via een ouderwetse onderwijsmethode: Het spel en de knikkers . Het ging van de middeleeuwen naar de moderne tijd, die in de jaren vijftig ophield. Alles wat je nu nauwelijks meer krijgt op de lerarenopleiding kwam voorbij.”

Na de middelbare school wilde Peppelenbos de journalistiek in. ,,Op de School voor de Journalistiek in Utrecht woonde ik een aantal colleges bij. Ik las in die tijd vier kranten en had een abonnement op de Haagse Post , Vrij Nederland én De Tijd . De studenten in Utrecht kwamen zeer ongeïnteresseerd op mij over. Daar begreep ik niets van. Toen ben ik naar de opleiding in Kampen gegaan. Daar bleek een richtingenstrijd gaande tussen communisten en gereformeerden – een heel vreemde dynamiek. Dat leek mij ook niks. Toen dacht ik: laat ik maar Nederlands gaan studeren.

Ik las al veel, Willem Frederik Hermans was mijn favoriete schrijver. In Groningen ontmoette ik een studievriend, op wie ik een beetje verliefd raakte, die had een kast vol boeken. Toen ben ik nog meer gaan lezen en verzamelen. Daarna is het niet meer gestopt.”

Wat vond je aantrekkelijk aan literatuur?

,,Het eerste boek waarin ik mij echt aangesproken voelde, was De aansprekers van Maarten ’t Hart. Ik kreeg het te leen via de vader van een schoolvriend. Die zei: ‘Lees dit maar eens.’ Het bleek over de dood te gaan. Toen voelde ik mij serieus genomen, door dat boek en die schrijver. Toen wist ik: ik moet af van de strips. Niet dat het een wilsbesluit was, maar toen ben ik overgestapt.”

Wat was je ambitie?

,,Geen idee. Pas later drong het besef door dat je iets kon met een studie Nederlands. Ik kreeg het advies eerst het onderwijs in te gaan. Dan zou ik het vak leren. In mijn geval kwam het neer op goed leren spellen. Ik heb drie jaar op een middelbare school voor de klas gestaan. Daarna ben ik als docent naar de Noordelijke Hogeschool in Leeuwarden gegaan waar ik iemand tegenkwam die een krantje maakte en vroeg of ik recensies wilde schrijven. Ik ben pas echt gaan schrijven toen Tzum werd opgericht, in 1998.”

De aanzet voor Tzum werd gegeven door de latere schrijver en docent Derwent Christmas, die als student gelezen had dat goede schrijvers bij een tijdschrift beginnen en er om die reden zelf een oprichtte: Nieuw Podium . Onenigheid leidde tot contact met Utjouwerij Frysk en Frij, waar als eis werd gesteld dat in het blad ook aandacht moest zijn voor de Friese taal. Het leverde de naam Tzum op. Twee jaar later ontstond opnieuw ruzie: te weinig aandacht voor het Fries.

,,Toen zijn we in 2000 naar uitgeverij kleine Uil in Groningen gegaan”, vertelt Peppelenbos. ,,We hadden 140 abonnees – literaire tijdschriften waren al passé toen wij begonnen. Het nam een vlucht toen we digitaal gingen.”

Nu zijn jullie de belangrijkste website voor literatuur in Nederland.

,,Dat hoor je mij niet zeggen.”

Wat is de concurrentie?

,, Bazarow ? Misschien Hebban ? Maar die doen nauwelijks aan nieuws, en zijn niet onafhankelijk – het is goed dat het er is. Aan ons kun je je ergeren. Wij brengen ook dommig nieuws, zoals dat Tonnus Oosterhoff zijn kast verkoopt. Of welk bedrag Peter Buwalda vraagt voor zijn huis. Daar komt altijd kritiek op. ‘Jullie zijn toch de Privé niet?’ Nee, inderdaad. Toch brengen we het. Ter relativering.”

Wat is het doel van ‘Tzum’?

,,Die vraag heb ik altijd proberen te omzeilen. Anders dan de tijdschriften waar Derwent Christmas zich aan spiegelde, hebben wij nooit een programma bekendgemaakt. Want dan moet je je eraan houden. Alle tijdschriften met een programma zijn ter ziele. Wij doen wat we leuk vinden. Als we al iets willen, dan is het de achterkant van het tapijt laten zien, de kant waar de rafels en knopen zitten.”

Jullie brengen soms personen of organisaties in diskrediet, bijvoorbeeld iemand als Daniëlle Serdijn (inmiddels voormalig recensent), of de boekpromotor CPNB.

,,Dat is toch niet erg? Zo’n Serdijn las aantoonbaar de boeken niet uit die ze recenseerde. Als je je baseert op feiten die een ander licht op een zaak werpen, moet je soms hard zijn. Een krant brengt zulke berichten niet, wellicht omdat het te intern is. Wij wel, omdat wij overal buiten staan. Met de CPNB zijn we inmiddels weer een beetje bevriend, via Hebban , omdat we samen de Regenboogboekprijs uitreiken voor het beste boek uit het lgbtq+-spectrum.”

Wat hebben of hadden jullie tegen de CPNB?

,,Ik zie geen echte liefde voor literatuur bij de CPNB. Het zo duidelijk op de commercie gericht. Ze doen alsof ze begaan zijn met de literatuur. Maar ze zijn vooral begaan met de handel. Je mag best wel eens opkomen voor goede boeken. Dan mag je je daarna weer richten op het brede publiek.”

Ik kan mij voorstellen dat de CPNB niet zwaar inzet op literatuur. De literatuur lijkt aan de verliezende hand.

,,Daar geloof ik niet in. Het is misschien waar als je succes koppelt aan boekenverkoop in de boekwinkel. Maar is dat de belangrijkste bron om te zeggen dat mensen geen literatuur meer lezen? Er was laatst een onderzoek waaruit zou blijken dat jongeren meer fictie lezen. Ik ken een journalist die overal waar hij komt minibiebs fotografeert – dat zijn er gigantisch veel. Of denk aan de enorme aantallen die worden verkocht via Boekwinkeltjes. Er zijn mensen met op hun tablet duizenden boeken, misschien illegaal gedownload. De gegevens waarmee wordt geschermd, zijn vervuild.”

In jouw boek ‘Moeten we dit weten voor de toets’ schrijf je dat er vroeger net zo veel of weinig literatuur werd gelezen als tegenwoordig.

,,Bij mij in de klas op de middelbare school waren het er twee, misschien drie. Nerds zoals ik, die toch niet meededen aan sport. Zelfs tijdens mijn studie Nederlands had ik niet de indruk dat er veel werd gelezen. Bij literaire avonden kwam ik nooit studenten Nederlands tegen. Nu nog niet. Het is altijd een kleine club geweest.

Ik maak mij geen zorgen over de literatuur en de aandacht daarvoor. Het vindt zijn weg wel. Kijk naar de poëzie. Die markt zou helemaal zijn ingestort. Een: die markt is nooit groot geweest. Twee: dichters treden overal op of publiceren via internet.”

Volgens onderzoek lezen jongeren steeds minder en slechter.

,,Je doelt op het PISA-onderzoek. Dat is een vreselijk onderzoek. Er zit een klein dubieus onderdeel in, over het leesgedrag van 15-jarigen, dat wordt voortdurend aangehaald door journalisten die zelf het onderzoek niet hebben gelezen. De tamtam heeft enorm veel subsidies voor vervolgonderzoek losgetrokken voor organisaties die leven van de leesbevordering. Als je zelf de vragen van dat onderzoek invult, wat ik heb gedaan, begrijp je heel goed waarom de 15-jarigen hebben ingevuld dat ze niet graag lezen.”

Misschien vinden ze de Nederlandse literatuur van nu niet de moeite waard. Misschien was het vroeger beter.

,,Daar geloof ik ook niet in. Er verschijnen zo’n tweehonderd romans per jaar. Daar zitten een paar fantastische boeken tussen. Dat zal vroeger niet anders zijn geweest. In 1923 verscheen Kees de jongen van Theo Thijssen, maar noem nog eens een boek dat de eeuw heeft overleefd?”

De meeste van die boeken zijn onleesbaar, omdat de Nederlandse taal is veranderd. Jouw uitgever, kleine Uil, heeft niet voor niets een reeks met klassieke boeken die na aanpassing van de taal opnieuw beschikbaar worden gemaakt.

,,Vorige week hebben de letterkundige Marijke Meijer-Drees en ik vier uur lang, samen met docent Nederlands en vertaler Frits Dijkstra, aan één bedrijf uit de Gijsbrecht van Aemstel van Joost van den Vondel gewerkt. Hartstikke leuk. De boeken in die reeks, we hebben ook Mejuffrouw Sara Burgerhart , Reinaert de Vos en De abele spelen hertaald, worden gekocht door scholen. Jonge mensen kunnen weer klassiekers lezen. Daar ben ik heel trots op.”

Peppelenbos buigt voorover naar het opnameapparaat en zegt: ,,Het leven heeft zin mensen.”

Je hebt gaysoaps geschreven. Je bent initiatiefnemer van de Regenboogreeks, literatuur met homoseksualiteit als hoofdthema. Je bent mede-initiatiefnemer van de Regenboogboekprijs. Is dat missionarisgedrag?

,,Ja, dat is het. Ik vind het belangrijk dat er literatuur is waarin het over homoseksualiteit gaat, dat die verkrijgbaar is en dat die gelezen wordt. Er zijn mooie literaire boeken over dit onderwerp, ik hoop dat die door jonge mensen worden gelezen.”

Werkt het?

,,Nee. Ik had verwacht dat het meer zou worden opgepikt, vooral door landelijke kranten. Het is zo jammer dat een schrijver als bijvoorbeeld Willem Bijsterbosch niet meer wordt gelezen.”

In ‘Hij/hem. Een ABC van regenboogboeken’ kwam ik in jouw bijdrage het woord ‘gaydar’ tegen. Ook las ik dat een homoseksueel op zijn hoede moet zijn.

,,De gaydar is de antenne van een homoseksueel die aangeeft of iemand interessant kan zijn. Daarnaast heb je een ingeboren intuïtie voor onveilige situaties. Ik weet nog goed dat ik in 1998 samen met een vriendin de Gay Games in Amsterdam bezocht en ineens ontdekte dat we de stad voor onszelf hadden, dat ik niet op hoefde te letten. Normaal hou je als homoseksueel mensen altijd een beetje in de gaten. Toen, in Amsterdam, voelde ik me voor het eerst veilig.

Er hoeft maar iemand een foute opmerking te maken, ook in familie- of vriendenkring, en er gebeurt iets met me. Ik ben iemand die dan een tegenopmerking maakt. Als iemand tegen me zegt: ‘Deze film moet je zien, want er komt een homostel in voor’ dan reageer ik met: ‘Dan moet jij die film zien, want daar komt een heterostel in voor.’ Dan heb je in één zin de absurditeit van de opmerking, hoe goed bedoeld dan ook, gepakt Dat is iets wat je moet aanleren. Assertief zijn. De wereld is in principe tegen je. Ik hoopte dat het een beetje voorbij was. Maar als je nu op scholen een gay-auteur onder de aandacht brengt, wordt dat opgevat als propaganda voor de lhbti+-community. Het sluit aan bij opvattingen van rechtse bewegingen in de Verenigde Staten en Oost-Europa. Je moet weer op je tellen passen.”

Hoe was het om op te groeien in Raalte?

,,De parel van Salland. Alles wat mooi was, is gesloopt. Van de oude gebouwen staan nog twee kerken overeind. Toen ik er woonde was er een sfeer van achterdocht. Veel wantrouwen. ‘Het zal wel niet goed wezen.’ Als ik er nu kom, valt mij op dat de mensen ontzettend aardig zijn. Leuk, normaal, niet opgefokt.

Ik heb opgroeien in Raalte niet als prettig ervaren: een katholiek dorp met een anti-gay stemming. Ik was er al weg, toen kwam er een gay-hotel, met bar. Dat is binnen een jaar weggepest. Ik voelde mij niet veilig in Raalte.

Mijn coming out was in Groningen. Ik was in de twintig toen ik wist dat ik het mijn ouders moest vertellen. Gênant. Dat je het moet vertellen. Heel irritant. Wat heb je op te biechten? Waarom moet je je rechtvaardigen? Zelfs Splinter Chabot moest het opbiechten, en die komt toch uit een heel progressief gezin. Mijn ouders reageerden met de opmerking ‘je blijft toch onze zoon’. In essentie veranderde er niets. Daarna moest ik het nog een keer tegen mijn broer en zus vertellen. Zo beladen allemaal.”

Tegelijkertijd leid je als homoseksueel een dubbel leven. Dat zou toch niet moeten. Ik geloof niet dat het ooit zal veranderen. Wel mooi om te zien dat op veel scholen jongeren zich nergens iets van aan trekken.”

Je hebt bloemlezingen samengesteld, dichtbundels gemaakt, romans geschreven. Je schrijft recensies en columns, bent redacteur bij kleine Uil, hoofdredacteur bij Tzum, interviewer van schrijvers.

,,Interviewen vind ik eigenlijk het leukst om te doen. Omdat het mij tegenwoordig relatief makkelijk afgaat. Ik doe alles uit het hoofd. Als iemand linksaf gaat, ga ik ook linksaf. Het wordt steeds meer een gesprek. De meeste schrijvers van naam heb ik inmiddels gesproken. Arnon Grunberg zou ik nog graag een keer doen. En Connie Palmen – in december krijg ik die kans. Er komen gelukkig steeds meer jonge schrijvers die er plezier aan beleven zich te laten interviewen. Literatuur manifesteert zich in toenemende mate buiten het boek. Jongere schrijvers zijn zich daarvan bewust en positioneren zich via interviews. Daar kun je van alles van vinden, dat het afleidt van de literatuur bijvoorbeeld, maar het gebeurt.”

Het leidt af van een nieuwe dichtbundel of roman van jouw hand. Hoe lang moeten we daar nog op wachten?

,,Tot volgend jaar. Bedoeling is om samen met Doeke Sijens en Eric de Rooij drie op zichzelf staande novelles te laten verschijnen, op Roze Zaterdag in Groningen. De deadline is er, nu het schrijven nog.”

In het kort

Coen Peppelenbos is 4 oktober 1964 geboren in Raalte. Na de middelbare school studeerde hij aan de universiteit Groningen Nederlandse taal- en letterkunde en ging hij aan de slag in het onderwijs. Tegenwoordig werkt hij aan de NHL in Leeuwarden. Peppelenbos publiceerde romans (o.a. De valkunstenaar ), dichtbundels (o.a. Sing Sing ), stelde bloemlezingen samen (o.a. Hij zag een kameraad in je) en is werkzaam als redacteur voor uitgeverij kleine Uil. Daarnaast is recensent voor deze krant, publieksinterviewer (o.a. Onder de vulkaan) en hoofdredacteur van website Tzum .

[ad_2]

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *